Een tijdje terug ontmoette ik een uiterst pienter grietje. Samen met haar ouders was ze die dag voor het eerst bij ons in het centrum. Met haar open blik, doortastende vragen en sociale karakter (‘mag ik misschien twéé kleurplaten, dan neem ik er ook eentje voor m’n broertje mee’) kwam daar echt iemand binnen. Terwijl haar ouders nog met de arts in gesprek waren, had zij het al wel gezien en fietste ze vrolijk rondjes over de poli. Na een tijdje stond ze voor m’n balie: ‘ik heb iets heel moois ontdekt’. Ik glimlachte om haar spontaniteit en vroeg haar wat er zo mooi was… ‘ik zag een kleurenkamer’. Na enig doorvragen begreep ik dat ze de brug bedoelde die ons centrum verbindt met het WKZ. De gekleurde ramen zorgen voor een mooi kleurenschouwspel terwijl je de bus- en trambaan oversteekt. Aangezien het al rustig was op de poli en ik het leuk vond om haar wat af te leiden tijdens deze wachttijd, stelde ik voor de kleurenkamer beter te gaan bekijken en te ontdekken wat het eigenlijk echt was. Terwijl we de brug overstaken keek ze haar ogen uit. De trams schoten onder ons door en de kleuren vond ze geweldig. Ik legde haar uit dat het allemaal nog veel mooier is als de zon schijnt. Eenmaal aan de overkant, keerden we om en kletsten we ons een weg terug naar haar ouders. Vlak voor we er waren liet ze me beloven dezelfde route nog eens te gaan als de zon zou schijnen… ‘Jazeker, dan gaan we nog een keer’.
Onlangs was het zover. De dag was nog jong en we hadden de poli net opgestart, toen ze ineens voor me stond. Ze had zojuist haar eerste nachtje bij ons geslapen en zag tot haar vreugde dat de zon scheen. ‘Ga je mee naar de overkant?’. Gelukkig was er ruimte om even mijn plek te verlaten, dus ik vloog achter m’n balie vandaan. Toen pas viel me op dat ze in een rolstoel zat. Een tenger meiske met fragiele armpjes zat in een rolstoel met grote wielen die ze zelf voortbewoog. Ik zag dat haar borst bijna haar bovenbenen raakte tijdens het rijden, dus ik stelde voor de rolstoel te duwen tijdens ons ritje over de regenboogbrug. ‘Nee, ik kan dat zelf’. Op dat moment snapte ik het nog en dacht ik lekker eigenwijs en arrogant… ‘laat haar het maar ondervinden’. Ze gaf de wielen een zwieper, en nog één… en nog één. Eenmaal op de brug vroeg ik of ik haar echt niet hoefde te duwen, waarop een geïrriteerd, maar vooral zelfverzekerd ‘neehee, het lukt wel’ terug kwam. Ze deed het gewoon. Kijkend naar en rijdend door de kleuren, vertelde ze over de afgelopen operatie en waar wat moeite zat. Niet meer, niet minder. Misschien was ik een te alerte zorgverlener of projecteerde ik mijn overbezorgde moedergevoelens op haar, maar ik kon het niet laten af en toe een blik te werpen op de spierballetjes die keihard moesten werken.
Rood, oranje, geel, groen… ‘wat is het een mooie vloer hè, nu de zon schijnt?’ vraag ik haar terwijl ze met haar rolstoel alle kleuren raakt. ‘Nou, niet alleen de vloer hoor, kijk eens naar het plafond!’. Met kinderlijke verbazing kijk ik omhoog en zie daar de zachtere versies van de kleuren geleidelijker in elkaar overlopen. Het is me werkelijk waar nooit opgevallen en dat flap ik er dan ook uit.
‘Dat komt omdat jij alleen maar naar beneden kijkt, je moet ook gewoon omhoog kijken’. Het is de setting, de toon, de sfeer. Het komt er wijzer uit dan slechts deze kinderlijke constatering. Ik word er stil van. Ik heb letterlijk en figuurlijk naar beneden gekeken. Naar die spierballen-in-ontwikkeling en naar wat eventueel niet kan. Op de terugweg kletst ze weer honderduit, maar ik kijk omhoog. Als ik wel naar beneden kijk, zie ik haar ogen. Ik kijk haar aan en zeg: ‘Ik vind jou superstoer’.
Blijf maar goed omhoog kijken stoere meid, dan blijf ik van jou leren.



