Over het algemeen denk ik werk en privé redelijk te kunnen scheiden. In m’n witte pak bekommer ik me om de patiënten en hun familie en thuis zorg ik vooral voor mijn gezin en laad ik op. Dat mijn gedachten af en toe van het één naar het ander springen zit me zelden in de weg en over het algemeen zijn het PMC en thuis twee aparte werelden.
Onlangs was die grens even minder duidelijk. Ik was toeschouwer bij een korfbalwedstrijd van mijn zoon die er wat fanatiek aan toe ging. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat mijn bloeddruk dan wat stijgt. Fysieke felheid heb ik altijd al lastig gevonden. Toen ik zelf speelde kon het boosheid, maar tegelijkertijd machteloosheid oproepen. Nu ik toekijk hoe er soms aan m’n kids getrokken en geduwd wordt raakt dat nog iets meer, maar kan ik het over het algemeen behoorlijk relativeren. Hoe anders was dat deze wedstrijd met de verbale agressie. Nadat een heer van de tegenpartij in zijn spel niet voor elkaar kreeg wat hij beoogde, schreeuwde hij door de zaal: ‘k*nkerzooi!’ Bam! Die kwam binnen. Mijn adrenalineniveau steeg naar ongekende hoogte en ik voelde vanuit mijn tenen een boosheid opborrelen die ik van mezelf niet kende. Werk en privé, even was de grens weg. De emoties van binnen de muren van het PMC stoomden m’n oren uit. Dat er door de coaches en scheidsrechter niet ingegrepen werd hielp niet. In plaats daarvan dacht ik zelf in te moeten grijpen. Een aantal keer heb ik iets geroepen, al heeft het niet de oren bereikt die ik tot doel had.
Het gaf veel stof tot nadenken. Dat iets me zo raakt zegt natuurlijk meer over mij dan over de ander, dus ik ging een rondje binnendoor bij mezelf. Daarnaast probeerde ik te bedenken waaróm de desbetreffende jongeman dit uitriep. Ik ben tijdens mijn opvoeding altijd uitgedaagd om verder te kijken dan mijn neus lang is en het oordeel zo lang mogelijk uit te stellen. Wie weet ligt de vrouw van de man die door rood rijdt wel te bevallen of heeft de chagrijnige buurman met veel pijn wakker gelegen vannacht. Het kan mildheid brengen. Is er een reden te bedenken dat iemand scheldt met een ziekte? Tot mijn schrik kreeg ik een spiegel voor. Hoe kort geleden zei ik namelijk dat het in de keuken een ‘pestbende’ was? Onbewust hypocriet, maar het was nooit zo tot me doorgedrongen. Een doosje met soortgelijke termen schiet open en ik bedenk me beschaamd dat ook hier anderen aanstoot aan kunnen nemen. Waarom zou hun heftige ervaring met een ziekte minder erg zijn dan die van mij? Een directe reden heb ik dus niet gevonden. Wat hij deed is niet oké, maar wat ik soms doe is ook niet oké. Wie zonder zonde is…
Vorige week zaten we na een te lange, intensieve avond zonder eten onze energiebehoefte aan te vullen met een vette hap bij de grote gele M. Met ons mond vol, gefocust op het eten, zie ik dat mijn lief zich soort van verslikt. Ik spreek mijn vraagtekens niet uit, tot even later de puzzelstukjes op hun plek vallen. Drie jongelui die direct achter ons zitten laten (in mijn ogen willekeurig) het woord ‘kanker’ vallen. Arie kijkt me aan en weet dat ik het deze keer ook gehoord heb. Ik zucht even diep, kijk achterom en geef mezelf tijd om na te denken. Als ik tegen het einde van onze maaltijd binnen twintig seconden drie keer het gevreesde woord hoor (onderbroken door een ‘ssst’ van de jongen wiens blik ik net ontmoette), sta ik rustig op, dienblad in m’n hand. Ik draai me om en vraag vriendelijk of ze Utrecht weten te liggen. Zonder hun antwoord af te wachten vertel ik waar ik werk en nodig ik ze uit om eens een kijkje te komen nemen in het PMC. Ik kan ze oprecht zeggen dat ik niet boos ben, maar ik vraag ze of ze er een volgende keer over na willen denken voordat ze dit woord zo klakkeloos gebruiken.
Ze wisselen wat blikken, er volgt een ‘sorry mevrouw’ en ik loop weg. Rustig. Blij dat ik mild kon reageren, in de hoop ze wel tot nadenken gezet te hebben. De gele M calorieën ben ik direct weer kwijt, de adrenaline spuit uit m’n oren.


